Ruud Snel

De Jongens van Bol


Vers van de Pers


Wat is er binnen gekomen op onze redactie ???


Absorberen aangeraden !!!

!!! Reacties worden op prijs gesteld !!!

Vers van de Pers

Steek van de Week - Nummer 27

Herman Frijlink

Popeye, Spinoza en ‘het volk’


“Veel spinazie eten en gij zult Spinoza heten”, zei mijn moeder als ze deze zomerse bladgroente op tafel zette. Spinoza? Ik dacht eerder aan Popeye, die zijn geliefde Olive telkens weer redt na een blik spinazie te hebben verorberd.


Terug kijkend besef ik dat mijn moeder behalve de woordspeling met spinazie niks wist van de Joods-Portugese Spinoza, die hier met zijn familie asiel had gezocht en gevonden. Want in het gereformeerde milieu waarin ik opgroeide was hij totaal onbekend, zelfs taboe, net als bij de katholieken. Zijn eigen Joodse gemeenschap was zelfs de eerste die hem in de ban, ‘cherem,’ deed.


Erg tolerant waren de geestelijke en wereldlijke leiders toen niet, evenmin als hun volgelingen. Wie hen tegensprak zoals Spinoza mocht blij zijn als hij in het spinhuis belandde en niet door ‘het volk’ in stukken werd gescheurd, want onze VOC-mentaliteit bestond niet alleen uit zeeheldenmoed en handelsgeest, maar ook uit bloedig geweld. Spinoza’s huisbaas kon de geleerde tijdens de onlusten voorafgaand aan het lynchen van de gebroeders De Wit er maar net van weerhouden om de bloeddorstige meute bestraffend toe te spreken. Anders hadden we niks geweten van zijn begrip van vrijheid, gebaseerd op het idee dat de een de ander zijn vrijheid moet gunnen. Vrijheid is tweerichtingsverkeer.


Maar in het huidige publieke debat lijkt vrijheid te zijn verworden tot die van een kind dat geen grenzen kent, want onvrede over wat dan ook dient onmiddellijk te worden opgelost. De anderen moeten maar zien. Dat die ook vrijheid hebben is ondenkbaar voor degene die denkt en zich gedraagt alsof er in het verkeer maar één richting bestaat.


Van Popeye’s blikken spinazie moeten we het niet hebben want snelle oplossingen creëren alleen maar problemen, maar van spinazie à la Spinoza, daar lust ik wel pap van.

Steek van de Week - Nummer 26

De violist en de slager van Praag


Of je bij de elite hoort of bij welke groep dan ook, is dat belangrijk? Een goede vriendin vroeg het me naar aanleiding van mijn tekst over het woord ‘elite’ als scheldwoord. Ze maande me om toch vooral ‘verbinding’ te zoeken. Dat is een goed advies in tijden waarin velen zich hun eigen god wanen, Narcissus in volle glorie.


Dat we weinig of geen verbinding ervaren wil niet zeggen dat we er geen behoefte aan hebben, bijvoorbeeld via religie. Het zal niet toevallig zijn dat het woord religie is afgeleid van het Latijnse ‘ligare’, dat ‘binden’ betekent. Maar ja, religie hebben we afgedankt, zonder dat er iets anders voor in de plaats is gekomen dan een permanente stortvloed aan amusement, overwaardering van publiek beleden emoties, en een materialisme zonder weerga.


Moeten we het voor de broodnodige verbinding dan hebben van kunst en cultuur? In mijn wereld, die van boeken en muziek, wordt nogal eens gauw gedacht dat muziek het middel bij uitstek is om verbinding te bewerkstelligen. Ik word daar even gauw ongemakkelijk van, niet omdat ik muziek bindend vermogen ontzeg, maar omdat ik dan onwillekeurig bedenk dat iemand als Reinhard Heydrich, de Slager van Praag, goed viool speelde. Met andere woorden, muziek is geen Haarlemmerolie waardoor je als vanzelf een voorbeeldig medemens wordt. Sterker nog, in nazikringen placht men zo’n 80 jaar geleden triomfantelijk te verklaren: “Als ik het woord cultuur hoor, trek ik mijn revolver.”


Vanavond ga ik naar een repetitie voor de uitvoering van het Requiem van Gabriël Fauré bij de dodenherdenking op 4 mei. Fauré moest niet veel van de kerk hebben, maar gebruikte wel de vorm van de dodenmis. Het onderdeel Dies Irae, Dag des Oordeels, liet hij weg, want hij bedoelde zijn muziek vooral als troost. Als dat verbinding zoeken is, teken ik ervoor.

Steek van de Week - Nummer 25

De wet van de kantine


De elite is de gezworen vijand van de gewone man, althans in de ogen van de populist die zich opwerpt als zijn woordvoerder. Hij weet precies wat de gewone man wil. En anders verheft hij zijn stem wel even. Want een van de kenmerken van een populist is zijn grote bek, als die van een Oostenrijkse korporaal die zich beter waant dan zijn generaals.


De populist bedoelt ‘elite’ als scheldwoord, vaak in één adem met ‘havermelk’, alsof dat alleen te koop is in Amsterdam Zuid en niet in Nieuwe Pekela. Verblind als hij is door haat jegens een elite die neerkijkt op de gewone man realiseert hij zich niet dat de sportlieden, de TV-persoonlijkheden en de volkszangers die hij vereert een financiële elite vormen waarvan de gewone man alleen maar kan dromen.


Laat ze het maar niet horen dat ze een elite vormen, die voetballers, presentatoren en walsenkoningen, want ze gaan er prat op dat ze zo gewoon zijn. Die obsessie met ‘gewoon’ hebben ze gemeen met vertegenwoordigers van de politieke elite, die elkaar aanmanen om ‘normaal’ te doen, als pubers op een schoolplein. Want je bent pas normaal als je kunt bewijzen dat je bent als iedereen.


Dat lijkt democratisch, maar het is een soort hyperdemocratie, zoals de filosoof Ortega y Gasset in 1948 schreef in ‘Opstand der horden.’ Met hyperdemocratie bedoelde hij een maatschappelijke orde waarin “de grote hoop het recht heeft zijn koffiehuispraatjes kracht van wet te geven.” Als je van ‘koffiehuis’ ‘voetbalkantine’ maakt, had het gisteren geschreven kunnen zijn. Het verschil is dat de toenmalige elite ‘de grote hoop’, de horden, een royale sociale wetgeving gaf en dat de huidige elite doet alsof ze tot de opstandige horden hoort en intussen de zwaksten onder hen tot persona non grata verklaart.