Ruud Snel

De Jongens van Bol


Vers van de Pers


Wat is er binnen gekomen op onze redactie ???


Absorberen aangeraden !!!

!!! Reacties worden op prijs gesteld !!!

Vers van de Pers

Herman Frijlink

Steek van de Week - Nummer 988

Helder


Connie Helder, de minister van Langdurige Zorg en Sport voor de VVD, vindt dat we voor ouderenzorg niet te veel naar de overheid mogen kijken. De reden? Geldgebrek.


Niet te veel naar de overheid kijken dus, want we zouden eens kunnen zien hoe VVD-premier Mark Rutte via een achterdeur Shell aan een subsidie hielp van 150 miljoen euro in 2022, het jaar waarin het bedrijf een recordwinst boekte van 38,5 miljard euro.


Nee, niet te veel naar de overheid kijken, want we zouden eens kunnen zien, hoe VVD-coryfeeën als Cora van Nieuwenhuizen en Neelie Smit-Kroes de grenzen van de wet opzoeken en de gaten zover mogelijk oprekken om hun gedrag van zelfverrijking te rechtvaardigen. Kan het nog naargeestiger? Ja, dat kan, als je de VVD, de kampioenen van de zelfredzaamheid, te hoop ziet lopen tegen asielzoekers. De ene gelukszoeker kent de ander.


Nee, niet te veel naar de overheid kijken, want we zouden eens kunnen zien hoe CDA-er Hugo de Jonge zich hardnekkig verzet tegen een barmhartig asielbeleid omdat hij bang is zijn laatste kiezers te verliezen.


Zei ik ‘barmhartigheid?’ Het lijkt wel alsof woorden als barmhartigheid, genade en grootmoedigheid niet meer bestaan, woorden die ik associeer met alles wat goed was en is aan kerk en geloof, maar ook woorden die de laatste CDA-stemmers aan hun laars lappen in hun streven de VVD rechts te passeren.


Van het CDA moeten we het dus niet hebben als we barmhartigheid serieus willen nemen, maar wel van de CU. Maarten van Ooijen van de CU is staatssecretaris op het ministerie van Connie Helder. Hij gaat ook over mantelzorg, precies de sector waar de minister haar financiële zorgen op wil afwentelen. En nu maar hopen dat hij kan voorkomen dat zijn minister de mantelzorg gaat gebruiken als dekmantel voor het onvermogen om de ouderenzorg op peil te houden. Het konnie helderder.

Steek van de Week- Nummer 989


Het verschil tussen prijs en waarde


Geachte heer Mohandis,


In de omschrijving van het werk dat u doet als kamerlid voor de PvdA staat het onderwerp waarvoor ik uw aandacht wil vragen als laatste genoemd. Misschien moet u even nadenken wat dat ook al weer is, maar ik bedoel cultuur. Daar wil ik het graag met u over hebben, met name over het verband tussen cultuur en economie en in het verlengde daarvan over het verschil tussen prijs en waarde.


Is dat belangrijk? Ja, want iedereen die van kunst en cultuur zijn werk maakt en iedereen die dat wil ervaren als toeschouwer, luisteraar, lezer of leerling heeft er mee te maken. Hoeveel wil ik betalen voor een balletles? Kan ik dat wel? Hoeveel moet ik vragen voor een vioolles? Kan ik daar wel van bestaan?


Woorden als consument en producent zou ik liever vermijden, omdat ik daarmee iedereen reduceer tot een homo economicus, maar ik doe dat nu toch even omdat ik een economisch dogma tegen het licht wil houden. Ik bedoel daarmee het idee dat de vraag het aanbod bepaalt. Dat is belangrijk voor iedereen die beseft dat kunst en cultuur onlosmakelijk verbonden is met het leven van alledag, belangrijk omdat veel mensen, inclusief de meeste subsidiënten, de wet van vraag en aanbod heilig hebben verklaard, alsof economie een religie is met dogma’s waar je niet aan kunt tornen.


Maar dat kan wel. Immers, je kunt de wet van vraag en aanbod net zo goed omdraaien en stellen dat het aanbod de vraag bepaalt, of we een bepaald product nou nodig hebben of niet. Een goed voorbeeld daarvan is de manier waarop de ICT-sector ons overspoelt met producten en diensten waarvan we niet wisten dat we die nodig hadden. Dankzij grootschalige investeringen lukt het ICT-bedrijven steeds opnieuw om met aanbod vraag te creëren.


En zo, geachte heer Mohandis, zou je ook het muziekonderwijs kunnen benaderen: als je veel en structureel investeert in het aanbod komt er vanzelf vraag naar. België en Noorwegen geven het goede voorbeeld. Zo is in Noorwegen bij wet geregeld dat elke gemeente moet beschikken over een centrum voor kunstonderwijs. En in België is subsidie voor buitenschools muziekonderwijs de normaalste zaak van de wereld, zoals dat in Nederland ook lang het geval was.


Zo kreeg ik eind jaren vijftig, begin zestig, mijn eerste vioollessen op de toen pas geopende muziekschool in Kampen. Weliswaar ruzieden mijn ouders regelmatig over de betaling van het lesgeld, want we waren straatarm, ook voor de toenmalige begrippen, maar toch heb ik jarenlang les gehad van een Duitse mevrouw, en goed ook. Ik leerde de techniek van het viool spelen zo ‘gründlich’ en zo speels dat ik er vanzelf plezier in kreeg en als bonus maakte ik me spelenderwijs de Duitse taal eigen. Dat was wat, hoor, zo vlak na de oorlog. Maar ik dwaal af.


Dat ik als kind van ouders met een minimaal inkomen vioolles kon krijgen heb ik te danken aan de toenmalige politici, vooral van uw partij, die vonden dat het volk verheven moest worden. En dat mocht wat kosten. Iedereen blij, want zo werden muzieklessen betaalbaar voor mensen met lage inkomens en konden docenten een fatsoenlijk salaris krijgen. Immers, voordien waren particuliere lessen voor de meeste mensen veel te duur en werkten docenten desondanks vaak voor een habbekrats, precies zoals dat nu ook weer het geval is. De ene muziekschool na de andere bezwijkt, liever gezegd wordt gewurgd door de slang van kostenreducties, bezuinigingen en efficiency-maatregelen, het credo van de homo economicus die ook in de sector kunst en cultuur het hoogste woord heeft.


Daar wordt niemand beter van, meneer Mohandis, de leerlingen niet, de docenten niet en de maatschappij niet. Bent u het met me eens dat de huidige situatie mede mogelijk is gemaakt door uw partij? Deze is nu dan wel gereduceerd tot 9 zetels in de Kamer, maar is na De Oorlog 37 jaar deel geweest van 12 kabinetten. De vragen die u onlangs over muziekonderwijs hebt gesteld aan de huidige staatssecretaris waren me uit mijn hart gegrepen, daar niet van, maar ze zijn gezien de medeverantwoordelijkheid van uw partij toch gewoon mosterd na de maaltijd?


Nee, het verleden kunt u niet veranderen, want u bent nog maar 5 jaar Kamerlid. Maar één ding moet me toch nog van het hart. Ik doel daarmee op uw vraag aan de staatssecretaris of “een muziekschool wel zonder subsidie kan.” Het is toch te gek voor woorden dat die vraag na 70 jaar opnieuw aan de orde is? Uw voorgangers bij de PvdA kenden het antwoord wel en handelden ernaar. Ze investeerden in muziekonderwijs, niet omdat ze geloofden dat de markt de prijs bepaalt, maar omdat ze de intrinsieke waarde kenden van muziekonderwijs voor iedereen.

Steek van de Week - Nummer 990

IJsbreker


Stephan Jantzen heet de gepensioneerde ijsbreker, die in Rostock aan de kade van de Warnow ligt, uitmondend in de Oostzee. Het schip werd gebouwd in Leningrad, pardon St. Petersburg, in 1967.


Vladimir Poetin was toen een Leningrads boefje van 15 jaar oud en de Koude Oorlog was in volle gang, ook al merkte je daar niet veel van. Zelfs was er sprake van ontspanning tussen de kemphanen met hun kernbommen. Vergeleken met nu is er weinig veranderd. Zoals nu ‘rechts’ het hoogste woord heeft was het toen ‘links’ dat de toon aangaf. En de Stephan Jantzen is nu dan wel een museumschip maar ziet eruit alsof hij elk moment kan uitvaren. En Rostock lijkt dan wel helemaal hersteld te zijn van de Britse bommen die de helft van de stad verwoestten maar de littekens zijn nog overal zichtbaar voor wie er oog voor heeft. En dat heb ik. Misschien is het wel een obsessie.


Minstens de helft van mijn huisbibliotheek van 1500 boeken bestaat uit werken waarin De Oorlog een hoofdrol speelt. Het zwaartepunt ervan bestaat uit Das Echolot van de Rostockse schrijver Walter Kempowski. Het bestaat uit tien boeken, gevuld met een collage van honderden autobiografische geschriften uit de jaren 1943 tot 1945, afkomstig uit de hele wereld. Het gekke is dat de bijdragen van gewone mensen veel meer tot de verbeelding spreken dan bespiegelingen van beroemde en beruchte personen.


Jammer is alleen dat we zo snel vergeten. In de grootste boekhandel van de universiteitsstad Rostock waren drie boeken van Kempowski voorradig. In het antiquariaat dat we bezochten belemmerde een bemodderde mountainbike het zicht op zijn werk. Er was heel veel van hem. De eigenares was blij dat ik er drie aanschafte.


Buiten speelde een meisje viool, virtuoos improviserend op ‘The house of the rising sun’. Ik hoorde het voor het eerst in 1965 toen ik als dienstplichtig militair op oefening was in Duitsland, niet ver van Rostock. Soms verlang ik terug naar die tijd, toen het ijs van de Koude Oorlog begon te smelten en toen ijsbrekers als de Stephan Jantzen nog volop werk hadden.

Steek van de Week - Nummer 991

Jan Busschers


U kunt dit beter niet lezen als u twee alinea’s al een heel verhaal vindt. Want ik heb wel wat meer alinea’s nodig in de volgende brief aan Jan Busschers. Maar vrees niet, langer dan 1 pagina is het niet.

Beste Jan,


Ik heb er een poosje over nagedacht of ik nog zou ingaan op jouw bijdrage over het verschijnsel dat zelfmoord de meest voorkomende doodsoorzaak is bij jongeren tot 30 jaar, waar ik op dit medium een column over publiceerde, twee weken geleden. Uiteindelijk besloot ik het toch maar te doen omdat mijn vader, mijn oudere broer en mijn jongere zus door zelfmoord om het leven zijn gekomen en omdat het me dwars zit dat je er over schrijft op een manier waar ik van in de lach zou schieten als het onderwerp niet zo ernstig was. Vandaar dat ik jouw bijdrage niet onweersproken wil laten.


Je begint met de bewering dat je emoties kunt trainen. Dat lijkt me onzin, want emoties zijn ervaringen, die je overkomen. Daar valt niks aan te trainen. Het gedrag dat hoort bij een emotie als bijvoorbeeld pijn kun je veranderen, maar niet de pijn, de ervaring zelf. Die heb je of die heb je niet.


De “Diepere oorzaken zijn nooit gelegen in externe gebeurtenissen, schrijf je verder, “maar in kernovertuigingen die voortkomen uit ons systeem van herkomst.” Ik neem aan dat die term afkomstig is uit het woordenboek van je idool Bert Hellinger, evenals wat jij benoemt als “Problem State”, een toestand “van depressie/wanhoop etc”, die in (jonge) mensen kan leiden tot radeloosheid en dus zelfmoord.” Als ik ooit een open deur heb zien intrappen dan is het wel deze. En van waar dat “dus?” Je kunt toch ook radeloos zijn zonder zelfmoord te plegen?


Kenmerkend voor zelfmoord is nou net dat het een raadsel is waarom mensen dat doen. Er zijn boeken over vol geschreven. Ik heb er hier een hele stapel van, maar het is en blijft gissen. De verhalen en mogelijke verklaringen zijn zo divers dat het onmogelijk is een eenduidige verklaring te geven. Verhelderend is wel het levenswerk van Jeroen Brouwers, De laatste deur, zelfmoord in de Nederlandse letteren. Daarin bespreekt hij hoe enkele tientallen Nederlandstalige schrijvers door zelfmoord aan hun eind kwamen. Elk verhaal is anders. Het enige dat de zelfmoordenaars gemeen hebben is de daad zelf. Zelfmoord is als een vingerafdruk of als een gebit. Op het eerste gezicht zijn ze allemaal hetzelfde maar tegelijkertijd verschillen ze per individu zo sterk dat de identiteit van een persoon ermee kan worden vastgesteld.


Maar terug naar je betoog, een aaneenschakeling van open deuren, platitudes en gemeenplaatsen uit het woordenboek van Hellinger, met als oplossing dat je aspirant- zelfmoordenaars moet “activeren om op zoek te gaan naar hun systemische belasting.” Het is dus het systeem dat het individu belast. Maar hoe, Jan, is dat te rijmen met je bewering dat de zelfmoordenaar in spe “de oplossingen in zich zelf en niet in de buitenwereld of in een ander moet zoeken?” Als het systeem de oorzaak is van je problemen, waarom moet je dan de oplossing ervan in je zelf zoeken? “Systemisch belast” wil toch zeggen dat het probleem van jouw cliënten in het systeem zit?


Als je dan toch, tegen beter weten in, tegen je cliënt met zelfmoordneigingen zegt dat hij de “Diepere oorzaken” en de oplossing maar in zichzelf moet zoeken ben jij, als coach of therapeut of hoe je je zelf ook noemt, medeverantwoordelijk voor wat de cliënt in kwestie doet, ook als hij zelfmoord pleegt.

Steek van de Week - Nummer 992

Laaggeletterd


Wij Nederlanders zijn er doorgaans als de kippen bij om Engelstalige woorden en uitdrukkingen over te nemen. De gemiddelde asielzoeker zou jaloers worden op de snelheid waarmee dat gebeurt. Als Kim Kardashian bij wijze van spreken een raar woord verzint in haar Californische achtertuin, omdat ze vreemde pillen slikt, hoor je het bij wijze van spreken de volgende dag al in een Volendamse viswinkel, niet zelden verfrommeld tot wat de Engelsen ‘doubledutch’ noemen. Gaat dat in de wetenschappelijke wereld beter? Ik betwijfel het, zeker als Engelse termen gecombineerd worden met Nederlandse.


Zo vindt Jeroen van Merriënboer, scheidend hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Maastricht, het maar niks om de keuze voor een onderwijsmethode te baseren op ‘evidence’. Waarom dat niet gewoon ‘bewijs’ mag heten wordt niet duidelijk in het blad ScienceGuide dat op 5 april j.l. een artikel wijdde aan Van Merriënboers afscheidsrede. Wel wordt helder dat het blad instemt met het betoog van de auteur, waar hij zegt dat “het ontwerpen van effectief onderwijs niet kan leunen op het verzamelen van bewijs voor de effectiviteit van specifieke methoden.”


‘Evidence’ of ‘bewijs’ is dus taboe voor Van Merriënboer. In de plaats daarvan is het volgens hem nodig dat “praktische implicaties gebaseerd zijn op empirische data.” Alsof het verzamelen van empirische data iets heel anders zou zijn dan ‘evidence based’ onderzoek. Het komt blijkbaar niet bij hem op dat het een niet zonder het ander kan en dat je empirische data gebruikt als basis voor ‘evidence’ of bewijs dat een methode goed, minder goed of slecht werkt. Met andere woorden, eerst komen de data en dan de ‘evidence.’ Ik hoef ScienceGuide en Van Merriënboer toch niet uit te leggen hoe het verslag van een onderzoek is gestructureerd?


Neem bijvoorbeeld het internationale onderzoek uit 2019 waaruit blijkt dat een kwart van alle Nederlandse 15-jarigen laaggeletterd zal blijven en dat van alle tieners in de wereld de Nederlandse tieners het minst gemotiveerd zijn om te lezen. Hoeveel empirische en andere data hebben we nodig voor de ‘evidence’ dat de Nederlandse onderwijsmethoden de leesvaardigheid van Nederlandse kinderen aantasten?


Moeten we het onderzoek naar het ontstaan en verbeteren van dit soort misstanden opdragen aan onderwijskundigen? Liever niet, want voordat je het weet verzanden ze in een non-discussie over niet bestaande fundamentele verschillen tussen twee onderzoektermen die elkaar alleen maar aanvullen.

Steek van de Week - Nummer 993

Lezen en laten lezen


Cijfers zijn niet neutraal. Dat weet u, dat weet ik. Je zou denken dat we dat allemaal wel weten en dat cijfers, onderzoeksresultaten, gebaseerd zijn op discutabele uitgangspunten. Van een econoom bijvoorbeeld wil je graag weten of hij een aanhanger is van Milton Friedman of van John Maynard Keynes. Ook zou het fijn zijn om te weten dat de uitkomsten van goed onderzoek ons handelen beïnvloeden. Maar dat spreekt niet vanzelf.


Neem nou bijvoorbeeld de leesvaardigheid van 15-jarige leerlingen in Nederland. We weten uit de krant dat die op dat onderwerp al jaren slechter scoren dan hun leeftijdgenoten in andere EU-landen. En het wordt alleen maar minder. Slechte cijfers dus voor het onderwijs in Nederland.


Toch houdt de Nederlandse onderwijswereld vast aan het idee dat lezen vooral een cognitieve activiteit is, zoals ontwikkelingspsychologen dat bedachten in de jaren zeventig. Dat betekent dat leerlingen niet de tekst als geheel hoeven te doorgronden maar slechts kernzinnen en signaalwoorden hoeven te herkennen, alsof het robots zijn in dienst van Chat GPT.


Tja, als een 13-jarige zo kennis maakt met ‘Alleen op de wereld’, dan zal hij nooit plezier krijgen in lezen en daardoor zijn leesvaardigheid verliezen. Want de film op zijn tablet is dan altijd beter. En dat brengt hem qua leesvaardigheid van de regen in de drup, want uit onderzoek van o.a. Sarah Trasmundi van de universiteit van Oslo blijkt dat papier veel geschikter is voor lezen dan een tablet.


Maar geen nood. In Engeland leren ze de kinderen sinds jaar en dag weer gewoon lezen door het veel te doen, zonder nadruk op het cognitieve aspect ervan. En zie, in leesvaardigheid scoren Britse leerlingen sindsdien internationaal het hoogst, want ze lezen met plezier. Dus, hoe meer plezier, des te hoger de prestaties en de cijfers.